Actualiteiten

1 mei 2017

Huurtoeslag en inkomsten uit onderverhuur

In een recente uitspraak komt de hoogste bestuursrechter tot het oordeel dat genoten inkomsten uit onderverhuur geen rol mogen spelen bij het vast stellen van huurtoeslag.

De zaak

De Belastingdienst Toeslagen (BT) had begin 2011 de huurtoeslag voor dat jaar voorlopig gesteld op € 1.522,00. Bij de definitieve vaststelling kwam de BT op een bedrag van € 200,00 en moest betrokkene dus € 1.322,00 terug betalen. De BT kwam tot deze wijziging omdat er sprake zou zijn van medebewoners gedurende tien maanden. In de daarop volgende  bezwaarprocedure werd dit bedrag gewijzigd in € 254,00. Betrokkene had gesteld en kennelijk bewezen dat het hier niet ging om medebewoners maar om onderhuurders. Daarop wijzigde de BT de grondslag van de terugvordering. De BT stelde dat betrokkene over slechts twee maanden recht op huurtoeslag had omdat in de maanden juli en augustus geen onderverhuur plaats had. In de overige tien maanden, aldus de BT, had betrokkene geen werkelijke huurkosten omdat deze door de opbrengsten uit onderverhuur gedekt werden.

Betrokkene was het hiermee niet eens en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Vervolgens stelde de BT hoger beroep in bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). 

Beoordeling door de Afdeling

De Afdeling komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en wijst daarbij op de per 1 januari 2010 in werking getreden wijziging van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Vóór 1 januari 2010 was in het vierde lid van artikel 5 Wht bepaald dat inkomsten uit onderverhuur bij de vaststelling van de huurtoeslag van de betaalde maandhuur mochten worden afgetrokken, de zogeheten onderhuuraftrek. Met verwijzing naar de memorie van toelichting stelt de Afdeling dat de wetgever deze onderhuuraftrek per 1 januari 2010 bewust heeft afgeschaft.  De BT erkende deze wijziging maar stelde daar tegenover dat die wijziging niet de mogelijkheid had weggenomen om een huurder het recht op huurtoeslag te ontzeggen in het geval er geen kosten worden gemaakt voor het huren van een woning. 

De Afdeling verwerpt die stelling.  Net als de rechtbank komt de Afdeling tot het oordeel dat, indien er sprake is van maandelijkse kosten voor het huren van een woning, zoals in dit geval onbetwist is vast gesteld, de inkomsten uit onderverhuur daarvan niet in mindering mogen worden gebracht bij het vaststellen van de huurtoeslag. Het hoger beroep van de BT sneuvelde derhalve. 

Conclusie

Voor huurders die ook inkomsten uit onderverhuur hebben en waarbij die inkomsten bij het vaststellen van de huurtoeslag door de BT in aanmerking zijn genomen, doen er goed aan om daartegen bezwaar te maken of herziening te vragen nu de hoogste bestuursrechter die praktijk onwettig heeft verklaard.  

mr. Peter P. Klokkers 

Uitspraak: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 26-04-2017, zaaknr. 201607356/1/A2

Vindplaats: rechtspraak.nl/uitspraken ECLI:NL:RVS:2017:1126


Plaats een reactie

Naam:
E-mail adres:
Reactie:
 
This is a captcha-picture. It is used to prevent mass-access by robots. (see: www.captcha.net)
 



info@bmkadvocaten.nl
T. +31 (0)20 535 22 22
F. +31 (0)20 535 22 32
Gebouw Sarphatiplaza
6e etage
Rhijnspoorplein 30
1018 TX Amsterdam
Postbus 16626
1001 RC Amsterdam